De avond viel. Ze stopten in een klein plaatsje genaamd Puerto de Mazarrón, gelegen aan een vissershaven. Ze parkeerden de auto bij een hotel langs de zee, niet ver van de haven. Onderweg naar de ingang werden ze overvallen door een stinkende vislucht. Een stevig briesje joeg de wolken vooruit. Ondanks dat het winter was, kwam de temperatuur niet onder de zestien graden.
De brandschone ontvangsthal van het hotel was verlaten. Links was een bar, maar er zaten geen klanten en ook de barman- of vrouw scheen verdwenen te zijn. De ruime zithoek aan de rechterkant, met goedkoop gestoffeerde canapés en houten salontafels, was leeg. Nergens het geluid van een koffiekopje dat op een schoteltje werd neergezet, een gedempte stem of het klikken van schoenen op de glanzende tegels. Ook de receptie was verlaten. Een druk op de koperen baliebel toverde een corpulent mannetje tevoorschijn, dat hen met trillende vingers de sleutel van hun kamer overhandigde. De kamer was net als de rest van het hotel: brandschoon en onwerkelijk stil, alsof het in zijn onberispelijkheid een groot geheim verborg.
Ze douchten en gingen op zoek naar een restaurant. Het was al donker: er was niemand op straat, afgezien van een enkele zwerfkat. Achter de ramen van de huizen loerde een ondoordringbare duisternis; de boten in de haven leken al jaren ongebruikt. ‘Leven hier eigenlijk wel mensen?’ vroeg Manuel zich hardop af. De jongen moest aan de openingsscène van een film denken, waarin de hoofdpersoon door Madrid rijdt en er langzamerhand achterkomt dat de stad verlaten is. Hij beschreef de scène aan Manuel. ‘Misschien,’ zei hij, ‘is het wel een ontdekking die we vroeg of laat allemaal doen.’ ‘Ik denk juist dat we met ieder jaar dat we ouder worden ontdekken dat het leven voller is dan we dachten,’ zei Manuel. ‘Ook al schuilt daar natuurlijk ook een zekere tragiek in.’
Soms hadden ze elkaar best wat zinnigs te melden.
Na een tijdje vonden ze een plein met een Italiaans restaurant. De ruimte was fel verlicht, overgoot het plein met een honinggele teint. Aan vierkante tafels met roodwit geblokte tafellakens zaten mensen te eten, voornamelijk stelletjes. De jongens aten pizza, dronken sangria en liepen terug naar het hotel.
Eenmaal in bed staarde de jongen wezenloos naar het plafond. Manuel snurkte. De jongen vroeg zich af hoe het had gevoeld als naast hem niet Manuel had gelegen, maar een vrouw waar hij van kon houden. Hij wist het niet. Hij wist alleen dat hij zich nu leeg en alleen voelde.
0
Ze vertrokken vroeg in de ochtend. ‘Hier,’ zei Manuel toen ze Puerto de Mazarrón uitgereden waren, en smeet de wegenkaart van Europa in de schoot van de jongen. ‘Zoek jij maar ’s uit hoe we in Almería komen. Ik heb er even genoeg van de enige te zijn die rijdt én de kaart leest.’
‘Ik kan niet kaartlezen. Nooit gekund. Ik begrijp alleen letters, geen lijnen.’
‘Als jij niet kan kaartlezen, verklaar ik per direct mijn rijbewijs nooit te hebben gehaald.’ Manuel liet de auto lichtjes van links naar rechts slingeren.
De jongen boog zich voorover. Uit de wirwar van verschillend gekleurde lijnen probeerde hij een trefzekere route te distilleren, maar voortdurend verslapte zijn concentratie en ontschoot deze hem. De lijnen op de kaart kon hij niet vertalen naar de wegen waarover ze reden. Het waren lege lijnen, die óf nergens leken te eindigen, óf uitkwamen in plaatsen waarvan hij zich geen voorstelling kon maken. Wat hem betrof leidden alle wegen naar Almería.
Hij zei: ‘Gewoon rechtdoor.’
Ze belandden in een dorpje zestig kilometer boven Almería. Manuel stopte de auto en griste de kaart uit de schoot van de jongen.
‘Fijne navigator ben je,’ lachte hij zonder spoor van verwijt. ‘Je komt met jou vaker nergens dan ergens.’
‘Nergens is ook ergens,’ zei de jongen. ‘Alleen niet daar, waar je wilt.’
0
Aan het einde van de middag bereikten ze Almería. Verkeerspleinen dirigeerden stromen auto’s, straten waren watervallen die bulderden en beukten. Mensen flaneerden over de boulevard, onverstoord alsof ze nooit zouden sterven onder een goedmoedig brandende zon die nooit zou doven. Terrassen bezetten de trottoirs, buitelden over de stoeprand heen. Winkels slokten de voorbijgangers op en spuugden ze weer naar buiten.
Het gekrioel en gewoel van de heuvelachtige stad zag er veelbelovend uit. Misschien, dacht de jongen, gaat erin Almería wel iets gebeuren. Wat dat ‘iets’ dan zou moeten zijn, wist hij ook niet precies.
Ze vonden een hotel middenin het centrum. Het was gelegen aan een plein dat begrensd werd door restaurants en cafés. ‘Eén nacht?’ vroeg de receptionist. ‘Nee,’ zei de jongen, ingenomen met de drukte die de stad bestierde, ‘doe er maar een paar bij.’
De dagen gleden voorbij met een trage hartslag. Het was warm in Almería. Zweet plakte de kleding aan hun lichamen en de middagen waren vol van puffen en slenteren. Ze hingen wat rond in de parken en cafés, liepen doelloos door de haven, het centrum en de achterwijken. Hun middelbareschooltijd was geregeld onderwerp van gesprek: een omvangrijk verleden dat ze samen hadden gedeeld en nog vers en levendig was, een grabbelton vol vermakelijke verhalen. Soms, wanneer ze op een bankje in de zon zaten, floot de jongen naar voorbij paraderende meisjes. Hij deed het aarzelend: het was niet echt iets voor hem om te doen, maar ja, je probeerde zo eens wat. Na een tijdje constateerde de jongen dat zijn nachtegaalgezang geen enkele reactie uitlokte op een paar geïrriteerde blikken na, dus stopte hij er maar mee.
’s Avonds gingen ze op zoek naar de beste kroegen en discotheken. Iedere avond opnieuw lieten ze zich de weg wijzen naar de meest fantastische uitgaansgelegenheid van de hele stad. En wanneer ze daar arriveerden, besloten ze na een paar drankjes maar weer verder te zoeken, naar die andere kroeg of discotheek waarover ze hadden gehoord en die écht fantastisch moest zijn. Zo zochten ze de nacht voorbij en terug in het hotel was de slaap diep en vast.
|